Grondbeginselen van de werkgroep 'Identitair Nederland'



Visie



Het goede, het ware en het schone

Alles van waarde is weerloos’ schreef de dichter Lucebert. IDNL neemt dit ter harte, en richt zich op het beschermen en bevorderen van ‘het ware, het goede, en het schone’, overeenkomstig de klassieke leidraad. Wij willen een cultuur en een samenleving waarin deze idealen centraal staan. Als individu en als gemeenschap willen wij steeds hoger streven. Wat is echter ‘het ware, het goede, en het schone’ in onze concrete situatie? Als uitgangspunt nemen wij hiervoor onze identiteit.


Authentieke identiteit

Identiteit is hoe anderen en wijzelf onszelf beschouwen vanuit intermenselijk (maatschappelijk) gezichtspunt. Onze identiteit kent verschillende facetten, zoals etniciteit, geslacht, seksuele geaardheid, leeftijd, stand, klasse, godsdienst, levensovertuiging en persoonlijke roeping. Veel van deze facetten zijn niet zelf door een mens gekozen, maar voorgegeven.

Een mens kan de voorgegeven facetten van zijn identiteit accepteren of niet. Als hij zijn identiteit niet accepteert, haalt hij zich vaak grote psychische moeilijkheden op de hals. Hij lijdt dan aan een ‘identiteitscrisis’. Er zijn bijvoorbeeld mannen die hun man-zijn verwerpen - zij kunnen dan soms zelfs het pad op gaan van zware medische ingrepen die hen het aanzien van een vrouw moeten geven. Ook zijn er blanke volkeren die hun identiteit verwerpen - zij kunnen dan soms zelfs andere volkeren op een voetstuk gaan plaatsen en meewerken aan hun eigen bezetting of vervanging. Zij lijden aan ‘oikofobie’.

Voor een gezonde individuele en collectieve ontwikkeling is het dus noodzakelijk dat mensen persoonlijk en gezamenlijk de waarheid van hun voorgegeven identiteiten accepteren. Volgens IDNL is het echter niet genoeg stil te blijven staan bij het ware. De volgende stap is te streven naar het goede. Dit wil zeggen dat elk facet van onze identiteit tegelijk een oproep is hier in uit te blinken. Het man-zijn impliceert bijvoorbeeld de oproep een échte man te zijn. Mannen nemen elkaar dan ook vaak de maat in hun man-zijn: ‘Wees een vent!’. Een échte Nederlander te zijn impliceert loyaal mee te werken aan een beter en mooier Nederland.

De mens vrij staan moet in staat worden gesteld in te gaan op deze oproep om uit te blinken. Dit streven zal zin geven aan het leven, en bovendien leidt dit streven uiteindelijk tot schoonheid in al haar verschillende vormen. Op deze manier wordt dus de drieslag van het ware, het goede en het schone gerealiseerd. Zo'n samenleving heeft veel minder regelgeving van buitenaf nodig, omdat mensen samen geleid worden door innerlijke motivatie om het goede en het schone na te streven.

Dit is de ‘holistische’ visie van IDNL op de samenleving: een gemeenschappelijk ideaal dat berust op gemeenschappelijke identiteit. Daarbij is de hoogste gemeenschappelijke identiteit de etnische identiteit. Een zo groot mogelijke etnische homogeniteit is een essentiële voorwaarde voor sociaaleconomische stabiliteit en materiële en immateriële ontwikkeling: het is namelijk het Nederlandse volk dat Nederland rijk, mooi en aangenaam maakt – en niet omgekeerd.


De excellente samenleving

Nu rijst de vraag hoe de samenleving zo kan worden ingericht dat mensen in staat zijn om zich maximaal op de ontwikkeling van hun authentieke identiteit te richten. Deze vraag kunnen wij niet beantwoorden aan de hand van pure theorie. De werkelijkheid is veel te complex om in een simplistisch ideologisch model te vatten. Niet een abstract bedenksel maar de concrete ervaring met de realiteit moet onze toetssteen zijn. Daarbij kunnen we putten uit de eeuwenlange ervaringen die onze voorouders met de werkelijkheid hebben opgedaan. Hoe hebben zij zich aan de wereld aangepast? Welke structuren hebben door de eeuwen heen hun waarde bewezen? IDNL wil zich hierdoor laten inspireren in haar toekomstvisie. Zo willen wij de grote offers en prestaties van onze voorouders respecteren en hun schitterende nalatenschap voortzetten, die nu ernstig bedreigd wordt. IDNL wil het daarvoor noodzakelijke bewustwordingsproces ondersteunen.



Missie



1. Herwaardering van identiteit als hoeksteen van de samenleving



IDNL stuurt aan op een nieuwe beeldenstorm, een ‘Identitaire Beeldenstorm’, waarbij de ‘afgoden’ van de globalistische, anti-identitaire ideologie van hun sokkels worden gestoten. In plaats daarvan willen wij identiteit in al zijn facetten terug oprichten als fundamenteel oriëntatiepunt van onze samenleving. Wij denken in de volgende richtingen:


1.1. Etnische identeit


Op de eerste en belangrijkste plaats staat voor ons de etnische identiteit. Deze definiëren wij niet nauw biologisch, maar als een sociale realiteit, een subtiel samenspel van fenotypische, levensbeschouwelijke en taalkundige elementen. In dit kader pleiten wij voor vrijwillige ‘segregatie’, een institutioneel onderscheid tussen staatsburgerschap (papieren nationaliteit) en etniciteit (authentieke etnisch gedefinieerde nationaliteit) en voor vrijwillige ‘soevereiniteit in eigen kring’. Dit laatste houdt onder ander in: een beperkte mate van eigen rechtssystemen, eigen sociale voorzieningen, en eigen culturele faciliteiten per etnische bevolkingsgroep.

Om dit te bereiken staan wij een viervoudig programma voor: Deportatie van wolven uit de schaapskooi (illegalen, terroristen, jihadisten, extremisten), gesubsidieerde Remigratie, selectieve Assimilatie en vrijwillige Segregatie, met uitdrukkelijke gaststatus van gesegregeerde, niet-geassimileerde inwonende vreemdelingen. Dit houdt bijvoorbeeld in: geen deelname aan Nederlandse politiek, geen bestuurlijke functies bij Nederlandse overheid en geen rol in Nederlandse media.

Voor assimilatie zal een veeleisend meerjarig programma moeten worden doorlopen. Daarbij valt te denken aan een langdurig maatschappelijk engagement in werk en familie, een volwaardig staatsexamen Nederlands, een onberispelijke levenswandel, het opgeven van andere nationaliteiten, het aannemen van een Nederlandse naam, een waarborgsom, en een eed van trouw aan de koning. Bij beoordeling van het resultaat van het assimilatietraject zal een bekering tot het Christendom nadrukkelijk als positieve factor worden meegenomen. Hierbij geldt dat het Christendom niet intrinsiek als superieur wordt opgevat, maar wel als historisch prioritair moet worden gezien, dus als een ‘erfdeel’ dat mensen die assimileren zich eigen moeten maken.


1.2. Levensbeschouwelijke identiteit


Ter bevordering van de sociale cohesie nemen wij de christelijk-humanistische Traditie van ons land als leidraad. Hoewel wij vasthouden aan de scheiding van kerk en staat is het volgens ons wel de taak van de staat om de waarde van de christelijke godsdienst te erkennen en haar te beschermen. Dit laat onverlet dat het politieke primaat van de overheid tolerantie en de godsdienst- en gewetensvrijheid voor minderheden moet waarborgen.
Overheidsmaatregelen in deze richting moeten zijn gericht op het bevorderen van de socio-politieke ‘soevereiniteit in eigen kring’ van de verschillende geloofsgroepen, en het ontstaan van groepen in kerkelijke kringen met een reële socio-economische meerwaarde. Het betreft vrijwillige (maar niet vrijblijvende) associaties in bijvoorbeeld sociale zorg, armoedebestrijding en onderwijs. Verder willen wij dat de staat er naar streeft de christelijke geloofsgroepen via subsidies een prominente plaats in het medialandschap te garanderen. Dit moet ook helpen een heropleving van anti-identitaire ideologiën als neo-liberaal nihilisme, cultuurmarxisme en cultuurrelativisme tegen te gaan.


1.3. Functionele identiteit


Elke samenleving heeft een hiërarchische structuur. IDNL wil deze structuur niet aan het toeval overlaten, maar bewust vormgeven vanuit een identitair perspectief. In de huidige situatie zien we een steeds kleinere kliek die alle macht en rijkdom naar zich toetrekt, en een steeds grotere groep van achtergestelden. De middenklasse is aan het verdwijnen. Hierdoor wordt de maatschappij steeds harder en instabieler.

IDNL wil deze ontwikkeing op twee manieren bestrijden. Enerzijds willen wij een versterking van de sociale mobiliteit door alle scholen terug te laten keren naar kwaliteitsonderwijs. Anderzijds pleiten wij voor duidelijkheid in de hiërarchische structuur van de samenleving. Door de vaagheid van de huidige situatie ontlopen veel machthebbers de verantwoordelijkheid die bij hun rijkelijk beloonde positie hoort.

Wij pleiten daarom voor een meer traditionele inrichting van de samenleving waarbij beloning en verantwoording duidelijk aan elkaar gekoppeld zijn. Wij zien meer ruimte voor de volgende lagen (vroeger ook wel ‘standen’ genoemd): Kroon (koningshuis), Adel, Kerk, Patriciaat, en Volk. In deze visie wordt van vooral de hogere standen een groot gevoel van verantwoordelijkheid voor het nationale belang verwacht, iets wat met name in de opvoeding moet worden bijgebracht. Noblesse oblige (Adel verplicht).


1.4. Geslachtelijke identiteit


IDNL stelt het traditionele gezin centraal. Wij zien dit als een instelling die door de geschiedenis heen haar waarde heeft bewezen voor de combinatie van biologische voortplanting en culturele transmissie die de historische continuïteit van cultuur en samenleving garandeert. Het traditionele gezin biedt de beste garantie voor een stabiele, productieve maatschappij die veel in haar kinderen investeert. Wij streven daarom naar een juridisch en fiscaal bevoorrechte positie voor het gezin. Bovendien moet het traditionele huwelijk en gezin weer de standaard worden in de publieke sfeer. Alternatieve leefvormen en seksualiteit worden gedoogd maar het gezin hoort op het voetstuk.

Om dit te bereiken wil IDNL de vrijblijvendheid van huwelijk en ouderschap tegengaan door verzwaring van de verlovings- en huwelijkseisen en aanscherping van de echtscheidingsprocedures. Verder willen wij een versterking van de positie van de kinderen, die van de vrijblijvende houding tegenover het huwelijk maar al te vaak het slachtoffer zijn. Daarom stellen wij een verplichte genetische registratie voor van de ouder-kindrelatie en versterking van de erfrechtpositie van kinderen tegenover stiefouders. Bovendien moeten de kinderen in geval van echtscheiding zelf kunnen bepalen bij welke ouder zij willen wonen. De traditionele maatschappelijke rol van huwelijk en gezin wordt verder benadrukt door het afschaffen van het gelijkgeslachtelijk huwelijk. Verder kan het traditionele gezin bevorderd worden door het moederschap economisch gemakkelijker te maken. IDNL streeft ernaar dat een gezin weer van één inkomen kan leven. Dit kan door subsidies en belastingvoordelen voor kinderen te vergroten. Verder mogen we verwachten dat door remigratie van allochtone groepen er weer lucht komt op de huizenmarkt en in de zorgsector. Dit zal leiden tot aanzienlijke kostenverlagingen voor huisvesting en gezondheidszorg. Tenslotte kan de staat deze ontwikkeling verder stimuleren door gerichte mediacampagnes.


1.5. Persoonlijke identiteit


De hierboven genoemde aspecten plus andere persoonlijke begaafdheden en kenmerken maken iemand tot een individu met een unieke identiteit. Iemands persoonlijke identiteit bevat echter tevens een zuiver individuele ervaren element: het element dat men vroeger ‘roeping’ noemde – een zuiver individuele uitdaging om zich in te zetten en uit te blinken. IDNL wil het optimaal mogelijk maken voor mensen om hun eigen unieke ‘roeping’ te volgen. als een beschermwaardige persoonlijke keuzevrijheid. We kunnen hierbij denken aan huwelijk, ouderschap, of een religieuze roeping, maar ook aan de wetenschap, de kunst of de krijgsmacht.

Om mensen zo veel mogelijk in staat te stellen zich op hun unieke manier te ontplooien moet een einde komen aan de overheersing van marktdenken en winstmaximalisatie. Hun desastreuze uitwerking op milieu, sociaal leven en cultuur moet ongedaan worden gemaakt. Overal dient het primaat van de politiek hersteld te worden. Daartoe moeten kunst, wetenschap en de zorgsector aan de marktwerking onttrokken worden en infrastructuur en nutsvoorzieningen terug genationaliseerd. In deze lijn kunnen we ook denken aan een eenmalige collectieve schuldsanering van privépersonen, en omzetting van een deel van de sociale uitkeringen in voorzieningen in natura, zoals bijvoorbeeld woonrechten.


2. Terugkeer naar een legitieme politiek



Het is de opdracht van de Nederlandse overheid om als betrouwbare wachter de Nederlandse grenzen te bewaken en het binnen die grenzen levende Nederlandse volk te beschermen. De Nederlandse overheid heeft van het volk geen opdracht gekregen die deze grenzen overschrijdt. Ze is gehouden enerzijds de soevereiniteit van andere landen te respecteren en anderzijds de eigen soevereiniteit met alle middelen en tot het uiterste te verdedigen. In het licht van deze opdracht - de bescherming van een klein land en klein volk - wordt van de Nederlandse overheid veel wijsheid gevraagd. Wijsheid is bescheiden plichtsvervulling, doordrongen van het besef dat de Nederlandse overheid geen taak heeft tegenover een abstract ‘Europa’, een nevelig ‘internationaal bedrijfsleven’ of een fictieve ‘internationale gemeenschap’ – laat staan tegenover de ‘mensheid’ als geheel. De Nederlandse overheid heeft alleen maar een taak tegenover het Nederlandse volk.

Wijsheid is ook koele standvastigheid – en de moed tot een onomwonden benoeming van reële dreigingen. De dreigingen van onze tijd zijn zonder historisch precedent: milieu en infrastructuur worden bedreigd door zware vervuiling. Arbeidsomstandigheden worden bedreigd door het globaliserend neo-liberalisme. Sociale identiteit en samenhang zoals de gezinsstructuur worden bedreigd door een militant-seculier nihilisme.

De meeste directe bedreiging is echter demografisch: het stamland en de kernidentiteit van het Nederlandse volk worden in hun voortbestaan bedreigd. In de laatste jaren is de veelal doodgezwegen massa-immigratie geëscaleerd tot een feitelijk onbeheersbare vloedgolf van vreemdelingen. Totdat deze ontwikkeling ongedaan is gemaakt zijn alle andere overwegingen van secundair belang om de eenvoudige reden dat er anders geen Nederlandse staat en geen Nederlands volk meer zullen bestaan: dat is de demografische realiteit.

Deze dramatische ‘omvolking’ zou historisch kunnen worden geduid als de zelfmoord van een volk, ware het niet dat deze ‘alloculturele kolonisatie’ tegen de uitdrukkelijke wens van de autochtone Nederlanders wordt gefaciliteerd en gemanipuleerd door een van de realiteit losgezongen establishment. Met recht noemen wij hen daarom een ‘vijandelijke elite’.

Om hun beleid te corrigeren is het niet voldoende alleen het vreemdelingenbeleid om te buigen richting remigratie. Het is minstens zo belangrijk de ideologie die ten grondslag ligt aan de ‘omvolking’ te bestrijden. IDNL verwerpt de ideologie van de ‘maakbaarheid’, het multiculturele maatschappijbeeld, de culturele capitulatie en de alloculturele annexatie. Deze insteek moet absoluut prioriteit hebben: als we deze ideologie niet uitwissen dan blijft het bestrijden van de erop gebaseerde politiek van het neo-liberale partijkartel dweilen met de kraan open. Alleen zo kan de ‘omvolking’ structureel gestopt worden.

De demografische dreiging is dus niet alleen een kwestie van fysieke omvolking, maar ook een psychologische kwestie vanwege de ermee samenhangende universalistische, kosmopolitische en anti-nationale ideologie. Deze is afgeleid uit het historisch-materialistisch gedachtegoed van de seculaire Verlichting. Zij is diep ingebed in de academische en journalistieke milieus, en domineert het publieke discours nu al meer dan een halve eeuw. Haar universalistisch-ideologische leus ‘de Nederlander bestaat niet’ stemt in geen enkel opzicht overeen met meer dan vijf eeuwen historische realiteit en met de geleefde belevingswereld van de overgrote meerderheid van de Nederlanders, maar bedreigt als politiek-cultureel programma wel de fundamenten van onze samenleving.

Het is de taak van de Nederlandse overheid om aan de demografische dreiging het hoofd te bieden via een nieuw en sterk correctief vreemdelingenbeleid. Zo’n beleid moet echter gebaseerd zijn op een even krachtig alternatief ideologisch discours: een discours dat het Nederlandse volk als uitgangspunt neemt en het beschermt in zijn geleefde en gevoelde identiteit. Alleen een dergelijk discours zal het voor de Nederlandse overheid mogelijk maken om consequent gebruik te maken van het primaat van de politiek.

De overheid dient consequent een eind te maken aan ontspoorde wetgeving, zoals onrechtvaardige immigratiewetten en eindeloze asielprocedures. Zij dient de opgelegde politiekcorrecte consensus te doorbreken, die zich uit in zelfcensurerende mediaberichtgeving en allerhande gedoogbeleid dat de misdaad stimuleert. Zij dient zich daarbij teweer te stellen tegen anti-nationale materiële belangen, zoals de winstbeluste ‘asielindustrie’, en een bedrijfsleven dat door middel van immigratie de lonen onder druk wil zetten.

De terechte perceptie van het Nederlandse volk is dat de Nederlandse overheid heeft gefaald. Hoe langer echter deze wijdverbreide onvrede politiek onbeantwoord blijft en hoe langer de herhaalde electorale waarschuwingen genegeerd worden (de Fortuynrevolte, de versplintering van het politieke veld, het afnemende democratisch draagvlak, de neergang van de ‘gevestigde’ kartelpartijen), hoe groter het risico dat het falen van de overheid door het volk niet langer wordt opgevat als apathische zelfgenoegzaamheid maar als moedwillige opzet. De kruik gaat net zolang te water tot ze barst.

De elite zal zich proberen te verschuilen achter ‘hogere overwegingen’, ‘internationale verplichtingen’ of ‘humanitaire gronden’, maar dit snijdt uiteindelijk geen hout: de enige opdracht van de Nederlandse overheid is om op betrouwbare wijze de Nederlandse grenzen te bewaken en het binnen die grenzen levende Nederlandse volk te beschermen. ‘Gezagsdragers’ die binnen de Nederlandse overheid die ‘grotere belangen’ willen dienen zitten op de verkeerde plaats. Als zij zich tegen beter weten in maar lang genoeg aan hun macht en privileges blijven vastklampen, dan worden ze uiteindelijk gezien voor wat ze dreigen te worden: landverraders. Zij vergeten dat deelname aan internationale organisaties zoals de VN, de NAVO, en de EU en internationale verdragen zoals EVRM, Vluchtelingenverdrag, en het Pact van Marrakesh slechts gerechtvaardigd zijn in zoverre dat ze de Nederlandse soevereiniteit ongeschonden laten en in zoverre dat ze in overeenkomst zijn met de belangen van de Nederlandse staat en het Nederlandse volk. Wanneer deze belangen aanzienlijk worden geschonden is deelname niet langer gewettigd. Een overheid die door zulke verdragen ‘globalistische’ belangen laat prevaleren boven de belangen van eigen staat en volk verliest haar legitimiteit. En in die situatie ontstaat het risico dat het volk uiteindelijk aanspraak maakt op haar ‘recht van opstand’.

Laten we namelijk niet vergeten dat de ontstaansgeschiedenis van Nederland in hoge mate getekend is juist door dat ‘recht van opstand’. Het huidige politieke establishment zou er goed aan doen zich te realiseren dat de beginselen van volkssoevereiniteit en van het recht van opstand centraal staan in de historische documenten waarop het bestaansrecht van de Nederlandse staat is gebaseerd. Dit zijn onder meer Mornay’s ‘Vindiciae contra tyrannos’, de ‘Apologie’ van Willem van Oranje en het ‘Plakkaat van Verlatinghe’. Voor elke legitieme Nederlandse politiek dienen deze documenten de leidraad te zijn. Een overheid die deze leidraad uit het oog verliest, raakt daarmee de facto haar legitimiteit kwijt. Het risico van een ontsporing van de samenleving richting geweld en wetteloosheid wordt dan reëel. Daarom beoogt IDNL de legitimiteit van de Nederlandse staat te herstellen door op een fatsoenlijke, wettelijke en democratische wijze een einde te maken aan de gijzeling van het landsbestuur door de huidige vijandelijke elite.


PRO FIDE, LEGE ET GREGE



Waarden


Bij haar missie staan voor IDNL de oernederlandse waarden van zelfbeschikking, solidariteit en goed rentmeesterschap centraal. Dit uit zich in de volgende richtingen:

1. Vrijheid van associatie


Wij geloven in zelfbeschikking in de sociale en economische relaties die mensen uit vrije wil aangaan. Daarin mag de staat geen rol spelen. Dit betekent onder andere vrijheid tot vrijwillige segregatie, soevereiniteit in eigen kring en subsidiariteit.

2. Vrijheid van meningsuiting


Hoewel de staat bepaalde waarden uitdraagt, is het niet haar taak mensen te dwingen tot een bepaalde overtuiging. De politiek-correcte censuur moet verdwijnen.

3. Vrijheid van godsdienst


Om ons erfgoed veilig te stellen begunstigt de staat de christelijk-humanistische traditie, maar zij dient wel te garanderen dat alle godsdienstige groepen in vrijheid hun religie kunnen beleven. In geen geval is het haar taak een seculier nihilisme aan de bevolking op te dringen.

4. Vrouwenrechten


IDNL wil dat de staat de voorwaarden schept waarin vrouwen die zich geroepen voelen tot gezin en moederschap zich ten volle kunnen ontplooien, zonder druk tot ‘emancipatie’ of om zich in het arbeidsproces te begeven.

5. Kinderrechten


Kinderen zijn het kostbaarste dat een samenleving heeft. Daarom dient de staat te streven naar een veilige en stabiele kindertijd, met twee ouders en met goed onderwijs.

6. Arbeidersrechten


IDNL wil dat de staat streeft naar stabiliteit in de arbeidsrelaties en de wildgroei aan ‘flexwerk’ en tijdelijke arbeidscontracten tegengaat. Het ideaal is dat een gezin stabiliteit en voldoende inkomen kan genieten met één salaris. De overheid dient de arbeidsomstandigheden te verbeteren door schaalverkleining en het terugdringen van overbodige managementlagen en bureaucratie.


7. Milieubescherming


Het uitgangspunt is ‘econ-logie’. Dit wil zeggen een totaalvisie die economie en zorg voor de natuur combineert, waarbij consumptie en productie plaatsvinden op het laagst mogelijke regionale niveau. Wij streven naar het afbouwen van de bio-industrie en ‘vergroening’ van alle productie en consumptie. De middelen daartoe zijn intensieve samenwerking van overheid en producenten, belastingen op schadelijke producten, overheidsinvesteringen en fiscale bevoordeling van gewenste vormen van productie.


---


Voor achtergrond en uitbouwing zie het artikel De Identitaire Beeldenstorm

Van JQ naar IQ



Mozes splijt de Rode Zee - Eckersberg (1815)



  ‘Event Horizon’



Aan de rand - in sommige opzichten over de rand - van de patriottisch-identitaire beweging leeft een ‘vraag’ die door sommigen als allang beantwoord en door velen als ongewenst wordt beschouwd: in ‘besmet’ oud-rechts jargon beter bekend als het ‘Joodse Vraagstuk’ en in ‘modieus’ Alt-Right jargon doorgaans aangeduid als de ‘JQ’ - de Jewish Question. In bepaald opzicht is JQ-verwante interesse echter terecht hernieuwd ‘actueel’: nieuwe wetenschappelijke studies naar bio-evolutionaire (etnische) groepstrategieën hebben het ‘Jodendom’ als dankbaar - want relatief goed gedocumenteerd - studieobject. Een nieuw begrip van het dubbel biologische en cultuurhistorische fenomeen van ‘etnische identiteit’ wordt door deze studies mogelijk: naast vertrouwde religieus-dogmatische en politiek-pragmatieke komen nu in toenemende mate epigenetisch-fysiologische en sociologisch-psychologische verklaringen te staan.i



Anti-semitisme’ kan daarmee steeds beter worden begrepen – en dus ook worden ‘gecorrigeerd’ – als een grotendeels subrationeel gevoeld en onderbewust beleefd, maar tegelijk logisch navolgbaar en rationeel verklaarbaar, fenomeen. Toch hangt er aan een nieuwe - ‘postmoderne’ - JQ ook een risico: de complexiteit van de Crisis van het Moderne Westen, meest acuut zichtbaar in de doelbewuste etnische vervanging van de Westerse volkeren door de politiek on(aan)tastbare Westerse elites, maakt het verleidelijk te zoeken naar simplistische ‘monocausale’ verklaringen en gemakkelijk identificeerbare ‘zondebokken’. Een ‘etnisch geprofileerde’ one stop identificatie van de over de huidige crisis presiderende ‘vijandelijke elite’ struikelt gemakkelijk in de intellectuele kuil van de klassieke ‘Joodse zondebok’ theorie: een voorspelbare ‘kinderziekte’ die de patriottisch-identitaire beweging echter op een zeer vroegtijdig overlijden kan komen te staan.



IDNL doet afstand van iedere gemakzuchtige projectie van de kwalen, zwaktes en degeneratie van het ene volk op het andere: IDNL benoemt de ziektes (de institutionele oikofobie, het zelfvernietigende matriarchaat en de sociale implosie) van het Nederlandse volk eerst en vooral als ‘auto-immuun’ ziektes - als eigengemaakt. Vanuit die optiek is de negatieve inwerking van bepaalde letterlijk ‘vreemde lichamen’ – frauderende ‘asielzoekers’, criminele ‘vluchtelingen’ en ‘allochtone’ terroristen – vooral een functie van een tot op gevaarlijk laag niveau verzwakt ‘natuurlijk afweersysteem’. Kortom: de rasante groei van invasieve ‘vectoren’ is in de eerste plaats te wijten aan de slechte gezondheid van het Nederlandse ‘volkslichaam’ zelf. Dus: IDNL verwerpt de notie dat de Crisis van het Moderne Westen – van het postmoderne Nederland in het verlengde daarvanii – te wijten zou zijn een ‘Joods complot’. Er mag – tot op bepaalde hoogte – een kern van waarheid zitten in het idee dat er een ‘complot’ mechanisme bestaat binnen de ‘vijandelijke elite’: de bedenkelijke rol van schimmige shape shift sociëteiten als ‘Bilderberg’ en ‘Davos’ is in dat opzicht evident. Maar de identificatie van die elite als - zelfs maar voornamelijk - ‘Joods’ is even zozeer evident absurd.



Zowel de psycho-historische etiologie als het socio-pathische karakterprofiel van de vijandelijke elite wijzen op een functionele ‘(d)evolutionaire’ adaptatie van relatief recente oorsprong en op een resoluut anti-identitaire richting.iii De historisch-materialistische ideologie en consistent deconstructieve techniek van de vijandelijke elite zijn volstrekt onverenigbaar met de authentieke Joodse Traditie – in zekere zin staan zij er diametraal tegenover.iv De vijandelijke elite is bovenal anti-traditioneel en anti-identitair: zij waant zich boven de geschiedenis verheven en ‘verheft’ zich door alle authentieke tradities en identiteiten naar beneden te trekken en te ‘deconstrueren’. De postmoderne vijandelijke elite is daarnaast door en door anti-nomianistisch (tegen alle wetten): zij verwerpt traditie en identiteit - en keert ze experimenteel om - omdat ze zelf geen traditie en identiteit heeft en verdraagt. Zij kan niet ‘Joods’ zijn omdat de Joodse Traditie een bepaalde (zelfs zeer hoge) mate van (historische) verantwoordelijkheid en (in-group) solidariteit verlangt.v





De enige - hoogst kunstmatige - manier om de vijandelijke elite als ‘Joods’ te zien is om het hele door die elite opgebouwde Nieuwe Wereld Orde project van de globalistische post-moderniteit als een ‘Joods’ project te betitelen. Deze betiteling vervormt echter niet alleen de vorm en inhoud van de authentieke Joodse Traditie tot een ongerechtvaardigde karikatuur, maar denigreert ook de rol van de Westerse volkeren. Door het Nieuwe Wereld Orde project als ‘Joods’ te betitelen worden de Westerse volkeren die dat project tot nu toe consistent (ver)dragen en consequent (door)leven gedegradeerd tot willoze, hersenloze veestapels. Onwillekeurig dient zich dan de vraag aan of zulke veestapels werkelijk beter verdienen dan hun veehouders.

IDNL weigert zulke simplistische en cynische ‘kortsluitingen’: voor IDNL verdiend geen enkel volk, van het minst ‘ontwikkelde’ natuurvolk tot het meest ‘hoogbegaafde’ cultuurvolk, het stempel ‘veestapel’ of ‘veehouder’ - laat staan de eenduidige kwalificatie ‘goed’ of ‘kwaad’. Het semi-manicheïsche - ‘engelachtig goed versus duivels kwaad’ - rollenpatroon dat zich aftekent in het (historisch consistent in drammerige dogmatiek vervallende) anti-semitisme doet simpelweg geen recht aan de soevereine verantwoordelijkheid die elk volk moet dragen voor zijn eigen lot.



Meer dan dat: elke substantiële associatie van de gloednieuwe patriottisch-identitaire beweging met anti-semitisch primitivisme zadelt haar op met ongewenste ballast. Binnen de patriottisch-identitaire beweging is geen plaats voor politiek primitivisme (oud-rechts racisme, libertair populisme): deze beweging baseert zich op een radicaal vooruitstrevende (archeo-futuristische) visie die alle oude vooroordelen en verouderde denkvormen ver achter zich laat. Vanuit deze optiek schaadt doctrinair anti-semitisme de patriottisch-identitaire beweging: voor zover het niet (als afleidingsmanoeuvre en splijtzwam) voortkomt uit doelbewuste ondermijning is het vooral schadelijk als tijdsverspilling.



Desalniettemin - of eigenlijk: temeer daarom - erkent IDNL de noodzaak tot een gelijktijdig correcte (liefst kort en bondige) omgang met de JQ. Het erkent daarbij de legitimiteit van alle JQ-relevante studievragen die onbeantwoord blijven binnen de huidige politiek-correcte consensus van historiografische en journalistieke zelfcensuur. Onder het vigerende cultuurmarxistische regime wordt aan deze thought police consensus (een steeds extremere) vorm gegeven in de doctrinaire mantra’s en cirkelredeneringen van het Westers openbaar onderwijs en de Westerse systeemmedia. IDNL erkent ook de legitieme behoefte aan een doorbreken van de (al dan niet zijdelings) JQ-gerelateerde psycho-historische taboes die rusten op kernthema’s in de recente Europese geschiedenis. Het doorbreken van die taboes staat overigens niet gelijk met ‘revisionisme’: het gaat erom die taboes bovenwaarts te doorbreken - niet om ‘stelling’ te nemen aan deze of gene zijde van de historische conflicten waar ze deel van uitmaken. Voorbeelden van zulke taboes zijn de diplomatieke achtergrond van de Tweede Wereldoorlog’, de technische modaliteit van de Holocaust, de heterogene ideologie van het Nationaal Socialisme en - last but not least - de historische betekenis van Adolf Hitler (reductio ad hitlerem).



Naarmate de afstand in tijd groter wordt, neemt de behoefte aan een open en eerlijke bespreking van zulke taboes steeds verder toe. De in toenemende mate krampachtige handhaving van het nu hopeloos achterhaalde historiografische metanarratief en digitaal bedreigde cordon sanitaire rond deze onderwerpen vergroot het publieke wantrouwen in academische autoriteit, journalistieke integriteit en politiek gezag. In combinatie met de toenemend duidelijke effecten van hidden agenda punten als ‘omvolking’ en ‘cultuur-deconstructie’, vergroot dit wantrouwen op den duur het risico op het onverwacht opleven van ongeleide volkswoede en onbeheersbare volksbewegingen – een risico dat speciaal relevant is voor kwetsbare minderheden.



IDNL stelt zich ten taak bij te dragen tot een rationele en beschaafde kanalisatie van de bespreking van deze potentieel brisante psycho-historische taboes: een ‘therapeutische’ agendering van de JQ past binnen deze taakstelling. Dit betekent: het faciliteren van een open debat dat de huidige event horizon van de in psychohistorische traumatiek verzande Westerse beschaving doorbreekt. De insteek van ‘beschaafde kanalisatie’ moet overigens niet worden verward met het eindeloos tijdsverspillende en bliksemafleidende gutmensch ‘dialoog’-formaat dat kenmerkend is voor de cultuur-marxistische publiekscultuur van de systeemmedia. De inzet van IDNL is een vreedzame ‘grote schoonmaak’ om een gewelddadige ‘grote schoonmaak’ voor te zijn - daarbij hoort het radicaal verwijderen van een halve eeuw diepe laag cultuur-marxistisch pseudo-intellectueel vuilnis.



Voordat de postmoderne JQ en de relevantie ervan in de hedendaagse Nederlandse context hier in meer detail kunnen worden besproken, is het noodzakelijk eerst de etno-nationalistische uitgangspunten van IDNL te preciseren: de paragraven ‘A City upon a Hill’ en ‘Die fröhliche Wissenschaft’ dienen dit doel. De daarop volgende paragraaf, ‘Söhne des Bundes’, geeft verder een cultuur-historische definitie van het eigenlijke studieobject van de JQ: daar wordt besproken wat het ‘Joodse volk’ wel en vooral ook niet is. De afdoende etno-nationalistisch en cultuur-historisch onderlegde lezer staat het dus vrij zich tijd te besparen door van de volgende drie paragrafen alleen het concluderende eindstandpunt te lezen.



A City upon a Hill’



IDNL stelt zich op het standpunt dat ieder volk recht heeft op de maximale dosis authentieke identiteit, politieke autonomie en territoriale soevereiniteit die dat volk zelf wenst - steeds voor zover praktisch verenigbaar met de praktisch uitgeoefende rechten van andere volkeren. IDNL gaat daarbij niet uit van farizeïsche argumentaties zoals de ideologisch-verwrongen ‘jurisprudentie’ van het vigerend ‘internationaal recht’, maar van een natuurlijk - beter gezegd: biologisch-dwingend - ‘recht’, namelijk het a priori recht van alle volkeren op ‘een plaats onder de zon’.



Deze plaats is uniek - en daarmee is elk volk uniek: de specifieke geopolitiek ‘geaarde’ en sociaaleconomisch ‘voedende’ biotoop (de ‘bio-evolutionaire niche’ ofwel het ‘thuis’) geeft elk volk een unieke combinatie van fysieke, psychische en spirituele eigenschappen die in (evolutionair-adaptieve en cultuurhistorisch-spiegelende) wisselwerking staan met zijn specifieke ‘plaats onder de zon’. Het specifieke jargon waarmee deze subtiele realiteit in de 19e en 20e eeuwse Westerse sociale wetenschappen werd weergegeven (fysiek als Blut und Boden, psychisch als Heimat, spiritueel als Weltachse en cultuurhistorisch als Kulturkreis) mag zijn ‘besmet’ door hun - grotendeels onbegrepen - ge/misbruik tijdens de politieke experimenten van het ‘Derde Rijk’, maar het blijft nuttig als wegwijzer naar de achterliggende belevingsrealiteit.



Het recht om deze realiteit te beschermen is absoluut in de meest concrete zin van het woord: het onttrekt zich uiteindelijk altijd aan juridische argumentatie, filosofisch relativisme en ideologische deconstructie.vi In die zin is een institutioneel-juridisch ‘volkerenrecht’ een contradictio in terminis: op het bestaansrecht van een volk valt net zo weinig af te dwingen als op het ‘moederschapsrecht’ van een vrouw of het ‘geboorterecht’ van een kind.



De absolute kwaliteit van dit bestaansrecht wordt gereflecteerd in de consistent bovennatuurlijke geboortegeschiedenissen van volkeren: de oorsprong van een volk mag tot op zekere hoogte ‘objectief’ (wetenschappelijk) vatbaar zijn in bio-evolutionaire en cultuur-historische analyses, maar de geboorte van een volk wordt altijd ‘subjectief’ (psychisch) beleefd als afgeleid uit de Goddelijke Voorzienigheid. Het thema van Godgewilde ‘schepping’ en ‘uitverkiezing’ is impliciet of expliciet terug te vinden in de ‘oorsprongsmythes’ van alle volkeren. Dit geldt voor ‘primitieve natuurvolkeren’ even goed als voor historische cultuurvolkeren – het geldt voor de totemische geboortecategorieën van de Braziliaanse Bororo (beschreven door Claude Lévi-Strauss) even goed als voor de evangelische grondbeginselen van de Amerikaanse Pilgrim Fathers (uitgedrukt met Mattheüs 5:14). De geboorte van volkeren kan daarom beter worden begrepen door theologen en cultureel-antropologen dan door biologen en fysisch-antropologen. Het bestaansrecht van elk volk is dus absoluut: het recht op volksidentiteit, volksautonomie en volkssoevereiniteit wordt slechts beperkt door het even absolute bestaansrecht van andere volkeren.



Standpunt: Voor IDNL zijn het bestaansrecht van het (etnisch als zodanig historisch herkenbare) Nederlandse volk en het bestaansrecht van de (volledig soevereine) Nederlandse staat de enige absolute maatstaven in metapolitieke en politieke zin. De zorgen en wensen van andere volkeren en staten, het Joodse volk en de Israëlische staat inclusief, zijn - met alle respect - voor IDNL ondergeschikt aan deze maatstaven.



Die fröhliche Wissenschaft’



Elke fysieke aanslag, bureaucratische afbreuk en ideologische aantasting van het bestaansrecht van een volk valt in de categorie van - synchroon ervaren en diachroon beschrijfbaar - absoluut kwaad. De collectieve ervaring van (al dan niet geplande, al dan niet systematische) genocide behoort in die categorie tot de meest extreme psycho-historische trauma’s die een volk kan ondergaan: zij is qua impact vergelijkbaar met de individuele ervaring van een ter nauwer nood overleefde moordaanslag. Een permanent hyper-reactieve ‘Pavlov reactie’ tekent onvermijdelijk de geschiedschrijving van een volk dat een dergelijk trauma heeft ondergaan. Zulke bottle neck momenten kleuren deze geschiedschrijving op langere termijn in religieus-mythische zin: het Poolse ‘Wonder aan de Wistula’ van 1920 en de Joodse ‘Holocaust’ van 1941-45 zijn recente voorbeelden van dergelijke momenten.



Het is onvermijdelijk dat de geschiedenis van volkeren wordt bepaald door - en wordt (toe)geschreven naar - hun diepst-vormende, diepst-ervaren en diepst-gevreesde momenten, namelijk hun (mystieke) oorsprong, hun (traumatische) crises en hun (voorvoelde) dood. In dit opschrift is alle geschiedschrijving noodzakelijkerwijs subjectief - geen enkele historicus onttrekt zich aan zijn eigen cultuur-historische Sitz im Leben. ‘Objectieve geschiedenis’ bestaat niet - kan niet bestaan - want geschiedenis is altijd functioneel verklaarbaar vanuit die Sitz im Leben.



Elke tegengestelde claim verraadt onmiddellijk een ‘verborgen agenda’: ‘objectieve’ geschiedschrijving is altijd een - op den duur doorzichtige - poging om een bepaald ideologisch functioneel discours te voeden. Zo dient de ‘objectief wetenschappelijke’ pretentie van de hedendaagse academische Westerse discipline geheten ‘Geschiedkunde’ het hegemoniaal discours van politiek-correct universalistische ‘deconstructie’: als collectief project is zij daarmee niet meer dan een huurlinge van het vigerende sociaal-politieke bestel van neoliberaal-cultuurmarxistisch ‘globalisme’.



De enig échte (want identiteits-relevante) geschiedenis is de geschiedenis die een volk over zichzelf vertelt, dat wil zeggen het historische narratief - ‘verhaal’, maar dan met de absolute meerwaarde van collectieve psycho-historische structuur - dat geldigheid heeft binnen en voor een specifiek volk. Er zijn dus meerdere gelijktijdig geldige geschiedenissen: zoveel volkeren, zoveel geschiedenissen. Gegeven het vitale belang van collectieve psychische structuur voor elke volksgemeenschap is elk ‘universalistisch’ discours dat pretendeert de specifieke geldigheid van een specifieke geschiedenis te annuleren uit naam van een fictieve ‘hogere’ abstractie schadelijk. Kennis van de geschiedenissen van andere volkeren kan een functioneel (dus beperkt) belang hebben - bijvoorbeeld in de diplomatie en cultuurwetenschap - maar die kennis kan nooit de eigen geschiedenis vervangen. De eigen geschiedenis is per definitie de maatstaf waaraan elke andere - inclusief elke gepretendeerd ‘hogere’ - geschiedenis moet worden afgemeten. Het gelijktijdig naast elkaar bestaan van meerdere geschiedenissen maakt deze ‘eigen-geschiedenis’ in geen enkel opzicht ‘relatief’ - het contrast versterkt slechts de (poëtische, esthetische, identiteitsvormende) ervaring van de eigen geschiedenis als geleefde gay saber (Nietzsche’s fröhliche Wissenschaft).



Standpunt: Voor IDNL is de geschiedenis van het Nederlandse volk en de Nederlandse staat het enige absoluut geldige narratief in metapolitieke en politieke zin. De alternatieve geschiedenissen die van belang zijn voor andere volkeren en staten, inclusief die van het Joodse volk en de Israëlische staat, zijn – opnieuw, met alle respect - voor IDNL ondergeschikt aan het eigen Nederlandse narratief.



Söhne des Bundes’



Het oudste nog bestaande cultuurvolk ter wereld is wat men gewoonlijk aanduidt als het ‘Joodse Volk’, in de Heilige Boeken van de drie grote Abrahamitische godsdiensten meer correct omschreven als de ‘Kinderen van Israël’ (Hebreeuws Bnei Yisra’el, Arabisch Banī ’Isrā’īl) in verwijzing naar de wijdingsnaam van hun stamvader, de patriarch Jacob, die later de naam ‘Israël’ kreeg. Hij werd de vader van de twaalf ‘stammen Israëls’. Eén van die stammen was Juda, waar ons woord ‘Joden’ op teruggaat. Omdat heden ten dage levende ‘Joden’ niet allemaal afstammen van Juda is het juister de goed-nederlandse benaming ‘Israëlieten’ te gebruiken. Dat is dus iets anders is dan een ‘Israëliër’ - een ‘Israëliër’ is een staatsburger van de moderne staat Israël. De meeste Israëliërs zijn tevens Israëliet, maar de overlapping is niet volledig: zo zijn vele nazaten van Arabieren en Druzen die inheems waren in het voormalige Britse Mandaatgebied Palestina nu Israëlische staatsburgers.



Wetenschappelijk onderzochte niet-Israëlitische verwijzingen naar het historisch bestaan van de Israëlieten in het Nabije Oosten gaan terug tot in de Late Bronstijd (de Nieuw-Egyptische stèle van Merneptah wordt gedateerd in de 12e eeuw v. Chr., de koninklijk Moabitische stèle van Mesha en de Nieuw-Assyrische stèle van Ashurnasirpal II en Shalmaneser III worden gedateerd in de 9e eeuw v. Chr.). Daarmee is de geschreven eigen-geschiedenis van de Israëlieten de oudste ter wereld.



De overlevering en interpretatie van deze geschiedenis - de oudste overleveringslijn die over de dageraad van de Westerse beschaving heen reikt - is van cultuurbepalende waarde geweest in zowel het Indo-Europees/christelijke Europa als het Semitisch/islamitische Nabije Oosten: zowel de oudste boeken van de Heilige Schrift van het Christendom (de zogenaamde ‘Pentateuch’) als de Heilige Recitatie van de Islam (de zogenaamde ‘Koran’) zijn in sterke mate gericht op het in herinnering brengen en (re-)interpreteren van de geschiedenis van de Israëlieten als oudste verbondsvolk.



Ontstaan en vormgeving van zowel de Christelijke als de Islamitische godsdiensten, culturen en talen zijn feitelijk onbegrijpelijk zonder inzicht in hun Israëlitische cultische, culturele en taalkundige achtergrond. Deze achtergrond is elementair vormgevend voor zowel de Europese als de Midden-Oosterse beschaving, het meest direct in termen van godsbeeld en ethiek: de godsdienstige en ethische denkbeelden en uitdrukkingen van beide beschavingen zijn voor een aanzienlijk deel terug te voeren op oudere Israëlitische ‘archetypen’.



Dit schakelt overigens de Europese beschaving zeker niet gelijk aan wat politiek-correct modieus wordt geduidt als ‘judeo-christelijke traditie’: de Europese Traditie is weliswaar historisch sterk beïnvloed door de ‘Joodse’ Traditie, maar zij is tegelijk volstrekt wezensverschillend in termen van filosofische dynamiek, ethische richting en psychohistorische beleving. De ‘tweeduizend jaren samen’vii van de Europese volkeren en de Israëlieten die volgde op de vernietiging van de Tweede Tempel in 70 n. Chr. (Hebreeuws Galūt, ‘Diaspora’) bewijst dit verschil: ondanks hun gedeelde (Bijbelse) overlevering, gedeelde geschiedenis, gedeelde leefruimte en biologische ‘kruisbestuiving’ zijn beide in essentiële zin zichzelf gebleven. Geen enkele zelfbewuste Israëliet zal zichzelf zien als goy en geen enkele zelfbewuste Europese niet-Israëliet zal zichzelf zien als ‘Jood’. Voor de paar individuele gevallen waar door natuurlijke en mensgemaakte catastrofes verwarring ontstaat, is de wederzijdse consensus snel hervonden.



Van Israëlitische zijde zijn de ‘orthodoxerabbijnen aangesteld als hoeders van deze - historisch wederzijds grotendeels wenselijk geachte - scheidslijn: zij bewaken de zowel fysiek-ruimtelijk als strikt-ontologisch op te vatten grenzen van de Israëlitische volksgemeenschappen met duidelijke regels naar ‘liminele’ gevallen. Zij hebben de volledige verantwoordelijkheid voor het omgaan met ‘grensgevallen’ zoals mamzerim, hitsonim en gerim - juridische begrippen die vaak primitief vertaald worden als ‘bastaarden’, ‘afvalligen’ en ‘bekeerlingen’. Zij bepalen wie ‘erbij hoort’ en wie niet - en zij bepalen ook de regels die horen bij het ‘erbij horen’.



De eenvoudigste manier voor niet-Israëlieten om te bepalen wie ‘erbij hoort’ is daarom simpelweg een rudimentair inzicht te verwerven in de Israëlitische Wet zoals gedefinieerd en gehandhaafd door het orthodox rabbinaat in het desbetreffende land. Alleen zij zijn ‘Israëliet’ - ‘Joods’ - die ofwel geboren zijn uit een als zodanig door het orthodoxe rabbinaat erkende (bij de gemeenschap ingeschreven of in moederlijn traceerbare) ‘Joodse’ moeder ofwel een door dat rabbinaat erkende - loodzware en jarenlange - giyur procedure hebben doorlopen van scholing, assimilatie, besnijdenis, belijdenis, reiniging, naamswijziging.



Deze tweede categorie van ‘bekeerlingen’ - de term ‘assimilanten’ is correcter - bleef door de eeuwen heen zeer beperkt van omvang, ook al omdat ‘overgang’ tot het Jodendom door zowel de Israëlitische als de niet-Israëlitische autoriteiten actief werd ontmoedigd en bestreden. Aan de ene kant voeren orthodoxe rabbijnen - ook via hyper-perfectionistische orthopraxie, procedurele vertraging en sociale liminaliteit - een krachtig ontmoedigingsbeleid ten aanzien van kandidaten voor giyur (in Nederland is dit ontmoedigingsbeleid recentelijk zover doorgeschoten dat serieuze kandidaten bijna altijd uitwijken naar Antwerpen). Aan de andere kant was het, voorafgaand aan de scheiding tussen Kerk en staat, in Europa de gewoonte om ‘bekeerlingen’ naar het Jodendom - een ‘geloof’ dat schoorvoetend als geboorterecht werd erkend maar als secundaire ‘keuze’ systematisch werd bestreden - op de brandstapel te zetten (bekende gevallen zijn Nicholas Antoine in 1632 en - mogelijk apocrief - Graaf Walentyn Potocki in 1749).



De expliciet positieve definitie van de orthodoxe rabbijnen wordt effectief aangevuld door een impliciete negatieve definitie: door het orthodoxe rabbinaat als Israëliet erkende volksgenoten werden toch uit de volksgemeenschap uitgesloten wanneer zij overgingen tot een ander geloof of wanneer zij vervielen tot ketterij. Zulke afvalligen worden ritueel (als min, ‘ketter’) en sociaal (als meshumad, ‘vernietigd’) uitgesloten - zij worden formeel (via een herem, ‘banvloek’) en informeel (via verschillende vormen van shunning) ‘verstoten’. Een formele herem werd opgelegd aan omstreden figuren zoals Baruch Spinoza, Shabbatai Zvi en Leon Trotski. Een instructief inkijkje in de informele sfeer wordt gegeven in de film Fiddler on the Roof (episode ‘Chavaleh’).



Een hedendaagse juridische reflectie van deze negatieve definitie is nog terug te vinden in de ‘Wet op de Terugkeer’ van de nieuwe ‘Joodse staat’: het amendement van 1970 bepaalt dat het ‘recht op terugkeer’ niet van toepassing op ‘een Jood die vrijwillig van godsdienst is veranderd’ (artikel 2, lid 4a). Hier prevaleert de impliciete negatieve definitie dus boven de expliciet positieve definitie. In feite schikt de desbetreffende Israëlische jurisprudentie zich hier naar het christelijk canoniek recht dat Israëlitische bekeerlingen na hun doop in het christelijk geloof gelijkstelt aan christenen die bij hun geboorte zijn gedoopt.



Pas met de 18e eeuwse verlichting, met haar secularisme, scheiding van kerk en staat (met een Israëlitisch equivalent in de Haskalah) en het 19e eeuwse staatsnationalisme ontstaat er een probleem.: pogingen om tot zuiver materialistisch-functionele (juridische, liberale) en zuiver materialistsch-deterministische (biologische, raciale) definities van het begrip ‘volk’ te komen strandden op het ultieme struikelblok: het zogenaamde ‘Joodse Vraagstuk’. De tot dan toe door de rabbijnse en kerkelijke gezamenlijk getrokken scheidslijn vervaagt, verschuift en gaat verloren. Op het falen van de civiel-nationalistische ‘assimilatie’ (grofweg de tijd van Heinrich Heine tot Gustav Mahler) volgt het falen van de raciaal-nationalistische ‘segregatie’ (grofweg de tijd van Theodor Herzl tot David Ben-Goerion). De ‘Tweede Wereldoorlog’ en de ‘Holocaust’ markeren het failliet van beide experimenten.



Individuele assimilatiesuccessen en plaatselijke segregatiesuccessen daargelaten, eindigt het ‘Joodse Vraagstuk’ in een Endlösung met twee drastische eindresultaten: (1) de opheffing van het Traditionele Jodendom en zijn substantiële etnische presentie in Europa en (2) de stichting van de moderne staat Israël in het Midden-Oosten. Vanuit cultuur-historisch perspectief representeren beide resultaten een knock-out overwinning van modernistische ‘deconstructie’ over Traditionalistische authenticiteit: de authentieke Joodse Traditie - een etnisch-herkenbaar volk levend volgens een transcendent-gedefinieerd verbond - verliest haar voorheen substantiële fysieke aanwezigheid in Europa, een verlies dat moet worden gecompenseerd door een kunstmatig-geterritoraliseerde en seculier-geherdefinieerde natie-staat in het Midden-Oosten.



De reële presentie en legitieme veiligheidszorgen van de moderne staat Israël staan buiten kijf als geopolitieke feitelijkheden, maar het voortbestaan en gedijen van Israël staan in geen enkele wijze garant staan voor het voortbestaan en gedijen van de authentieke Joodse Traditie. Binnen Israël woedt al decennialang een ongelijke strijd tussen de hilonim, de ‘wereldlijken’ die zich richten op seculaire ‘waarden’ en economische ‘vooruitgang’ op Westers model, en de datim, de ‘vromen’ die een achterhoede gevecht voeren voor het behoud van de restanten van de Joodse Traditie. Buiten Israël worden de overgebleven resten van de Joodse Traditie in de diaspora - voornamelijk geconcentreerd in Amerika - in hun voortbestaan bedreigt door dezelfde vloedgolf van ‘ontkerkelijking’ en ‘gemengde huwelijken’ die de christelijke Traditie heeft weggevaagd uit het hart van het Moderne Westen. De ‘Joodse’ gemeenschappen in het moderne Westen worden gekenmerkt door dezelfde immense centrifugale krachten richting sektarisme (liberaal Jodendom), acculturatie (decoratief Jodendom) en oikofobie (experimenteel Jodendom) die de Westerse volkeren ‘deconstrueren’.



Wat in Nederland concreet overblijft aan mikpunten voor de JQ-obsessie is slechts een handjevol leden van de vijandelijke elite die bij gebrek aan adellijke en patricische stambomen prat gaan op vermeende ‘Joodse’ stambomen zonder maar de minste poging te doen om te leven naar - of zelfs maar respect te hebben voor - de authentieke Joodse Traditie. En zelfs die stambomen blijken bij nadere inspectie meestal niet erg kosjer: velen denken bijvoorbeeld dat een Joodse vader of ongeregistreerde overgrootmoeder al genoeg is om zich deel van het ‘Uitverkoren Volk’ te mogen noemen. En zelfs als het orthodoxe rabbinaat na veel reken en speurwerk een paar van hen al ‘erkent’, dan nog zal men er daar meteen aan toevoegen dat aan dit predicaat wel een prijskaartje hangt dat deze lieden het lachen snel zal doen vergaan: namelijk het naleven van de Wet met al zijn 613 geboden en verboden, uitgewerkt tot in de kleinste details en dwingend tot bijna bovenmenselijke discipline, eruditie en vroomheid. x Noblesse oblige. Of zoals een andere Israëliet het al tweeduizend jaar geleden formuleerde: Niemand kan twee heren dienen: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten: gij kunt niet God dienen en de mammon (Mattheüs 6:24).



Standpunt: Voor IDNL gelden als échte ‘Israëlieten’ alleen het handjevol mensen dat zowel door het orthodoxe rabbinaat (het Nederlands-Israëlitisch en het Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap) als door zichzelf als zodanig wordt aangemerkt. Nederlandse staatsburgers die niet binnen die definitie vallen maar zich toch ‘Joods’ willen noemen, mogen bij dat rabbinaat de giyur procedure uitproberen: totdat zij die procedure doorlopen hebben mogen zij hun mond houden. Voor IDNL geldt ook de regel dat iedereen trots mag zijn op zijn eigen identiteit: geen Israëliet hoeft zich te verbergen achter de bange, huichelachtige en complottheorie-voedende nep-identiteit van de ‘seculaire wereldburger’. Voor het handjevol na de zondvloed van ’40-‘45 overgebleven échte Nederlandse Israëlieten is voldoende plaats in ons land - zij hoeven niet bang te zijn voor IDNL en IDNL ziet hen noch als een probleem, noch als een gevaar.



Justified and Ancient’



IDNL stelt zich op het standpunt dat het ‘Joodse Vraagstuk’, zeker voor wat betreft Nederland, niet meer bestaat door de tragische gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de nasleep ervan. Van de misschien 100.000 Joden van Amsterdam, de Joodse mokem allef in Nederland, kwam minder dan een tiende terug na de Duitse deportaties: met hen verdween een hele stadscultuur en een hele leefwijze. Slechts een verdwaalde enkeling druppelde na Bevrijdingsdag 1945 terug naar de spookachtig lege straatjes en de verlaten scheve huisjes van de Jodenbuurt: met de bouw van de ‘Stopera’, die monstrueuze bestuurdersstolp, werd het laatste stukje historische herinnering (zo niet slechte geweten) weggesaneerd.



Ongeacht het individuele lot van de verdwenen Joodse Nederlanders - macabere Untergang in de bloodlands van Oost-Europaviii of moeizame terugkeer naar het Beloofde Land - overheerste bij de overlevende Nederlanders een besef van onmacht en ongemak. Onmacht: evenmin als de Nederlandse strijdkrachten de overmachtige Duitse oorlogsmachine hadden kunnen stoppen, waren de Nederlandse burgerlijke autoriteiten erin geslaagd de Duitse deportatiepolitiek een halt toe te roepen. Ongemak: er was een onwillekeurig gevoel dat men als keurig gezagsgetrouw volk misschien toch moreel in gebreke was gebleven: alleen in het medebezette ‘brave Schwejk’ Tsjechië was de deportatie-efficiëntie groter dan in Nederland.



Deze instinctieve collectieve survivor’s guilt paste naadloos in het grotere oorlogspastel - wijdverspreide collaboratie met de bezetter, even wijdverspreide oorlogswinst en zwarte markt activiteiten en bijna universele windvaanachtige serviliteit. Een moreel dieptepunt dat spoedig werd gevolgd door het fiasco in Oost-Indië, waarbij men op het eerste fluitsignaal van de Amerikaanse ‘bondgenoot’ de aftocht blies ten koste van de meest basale noties van eerbesef, loyaliteit en verantwoordingsbesef naar honderdduizenden trouwe militairen en burgers (Indië-gangers, Indische Nederlanders, Molukkers) - Koningin Wilhelmina had teveel fatsoen om over dit debacle te presideren en deed troonsafstand.



Tegen deze treurige achtergrondgegevens - effectief nog steeds historiografisch taboe - wordt de psycho-historische thematiek van een collectieve ‘slachtoffercultus’ begrijpelijk. Individueel falen wordt herleidt tot collectief falen en individuele gewetenspijn wordt weggeredeneerd naar collectieve gewetenspijn - beide worden vervolgens afgemeten aan (abstracte, onhaalbare, onbestaanbare) ‘universele maatstaven’ en zo wordt het collectief - lees: het volk - als geheel aansprakelijk voor een ontastbare en onmogelijke ‘schuld’. Het is een sado-masochistisch mechanisme dat het meest voordelig kan worden ‘uitgeleefd’ in de meest extreme projectie: het breed uitmeten van het lot van het archetypisch ‘goede’ (maar passieve!) verbondsvolk dat door archetypisch ‘slechte’ (maar actieve!) ‘anderen’ wordt onderworpen aan de ultieme marteling. Het is een mechanisme dat zo in Freud for Dummies kan. Maar zo wordt wel de herinnering aan de verdwenen Joodse Nederlanders misbruikt voor de eigen blijvende schuldcomplexen: de ‘Holocaust’ als rituele zelfkastijding - zonder enig werkelijk begrip voor wat er echt is gebeurd en zonder respect voor de doden en de overlevenden.



Over de volgende generaties werpt deze psycho-historische conditionering een lange schaduw: van de cultuur-marxistische ‘zelfkritiek’ van de jaren ’60 en ’70, via de obsessieve ‘tweede generatie trauma’s’ van de jaren ‘80 en ’90 tot en met de pathologische Social Justice Warrior-oikofobie van de jaren ‘00 en ‘10. Het eindstation is échte - fysieke - zelf-verminking en zelf-opheffing: systematische sociale implosie en programmatische etnische vervanging. Het is dus niet het allang verdwenen Europese Jodendom dat de Europese volkeren kwelt, verminkt en vernietigt: wat Europa betreft is het Joodse volk zoals het ooit écht bestond - al dan niet letterlijk - in rook opgegaan. Vragen naar een JQ zou moeten mogen in elk vrij land, maar een JQ projecteren op het heden in méér dan psycho-traumatische zin is grijpen naar de schaduwen van een verzonken verleden dat nooit meer terugkomt. De geschiedenis is een bodemloze put waarin vele volkeren zijn verdwenen - het Europese Jodendom viel erin en komt niet meer terug.



Op 30 januari 1939 deed de Duitse rijkskanselier Adolf Hitler de volgende uitspraak: Wenn es dem internationalen Finanzjudentum in und ausserhalb Europas gelingen sollte, die Völker noch einmal in einen Weltkrieg zu stürzen, dann wird das Ergebnis nicht der Sieg des Judentums sein, sondern die Vernichtung der jüdische Rasse in Europa! - en dit is inderdaad gebeurd. Toen Hitler in de jaren ‘30 de toenmalige vijandelijke elite identificeerde als niet-eigen (benoemd als ‘internationaal financieel Jodendom’ - let op de kwalificatie ‘financieel’!) kon hij dat nog doen op basis van een meer of minder plausibel anti-semitisch discours: er bestond toen nog werkelijk een substantiële Joodse presentie in Duitsland waarop ‘volksvijandelijke’ (proto-globalistische, marxistisch-deconstructieve) krachtenvelden konden worden geprojecteerd. Zelfs toen was het al niet eenvoudig: er moest een ingewikkeld wetsysteem worden ontwikkeld voor de duizenden uitzonderingssituaties en speciale gevallen (Ehrenarier, GeltungsjudeFrontkämpferprivileg).



Na 1945 is een dergelijk projectie simpelweg niet langer mogelijk: de vijandelijke elite van de hedendaagse Europese volkeren kan op geen enkele mogelijke manier meer worden geïdentificeerd als ‘Joods’. Het Joodse volk in Europa is dood - net zo dood als het Armeense volk in Oost-Anatolië en als het Duitse volk ten oosten van de Oder en Neisse. De doden van de Tweede Wereld Oorlog zijn gerechtvaardigd door en in hun offer - van hen resteren ons nog slechts ‘vingerwijzing en naam’.ix Het is aan de levenden om uit hun geschiedenis te leren en zich in eigen gerechtigheid te oefenen. Wanneer Nederlandse volk, dat nu moet leven en lijden onder het wanbestuur en deconstructiebeleid van de vijandelijke elite, beseft dat het wél bestaat - leert dat het nog steeds een volk is - dan kan het ook besluiten niet verdwijnen in de bodemloze put van de geschiedenis.



De projectie van een JQ op de vijandelijke elite is een dwaalspoor bij de bestrijding van de huidige machthebbers: de vijandelijke elite is de onze en niet de hunne. Inzicht in de JQ kan ons echter wel indirect stof leveren voor een beter inzicht in een aantal van de psycho-historische trauma’s die de vijandelijke elite tegen ons gebruikt. Zulk inzicht creëert licht aan het einde van de tunnel: het laat ons de harde waarheid van belemmerende trauma’s en verlammende taboes onder ogen te zien. Als de recente studies van het lange overleven van de Israëlieten in een wereld onvriendelijke en vijandelijke concurrenten ons iets te leren hebben dan is het vooral dit: dat hoog IQ een lange historische adem heeft en dat het veel kan compenseren. Een afdoende hoge dosering IQ kan ons verlossen van de trucjes en spelletjes vijandelijke elite – inclusief de JQ als afleidingsmanoeuvre en tijdsverspilling. We moeten ons niet laten afleiden en ons concentreren op de feitelijke vijandige elite, want:



Wie het gedaan heeft, heeft het gedaan. En niet iemand anders.

- Harry Mulisch




i Verg. het werk van, resp., Jim Penman en Kevin MacDonald, beide voortbouwend op het socio-biologische pionierwerk van Edward Wilson.


iii Voor de etiologie van de ‘vijandelijke elite’ verg. www.erkenbrand.eu/artikelen/de-levende-doden-1/.

iv Voor een nadere uitwerking van het thema ‘Omgekeerde Traditie’ in de Joodse context verg. Alexander Wolfheze, The Sunset of Tradition and the Origins of the Great War (Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars Publishing, 2018) 104ff.

v Het is in dit verband interessant te vermelden dat van tenminste twee Amerikaanse topdiplomaten, Madeleine Albright en John Kerry, wordt gezegd dat zij uit de extreem-antinomianistische Frankisten-sekte stammen.

vi Op de interface tussen ‘natuurrecht’ en ‘institutioneel recht’ bevinden zich de noties van Nomos en Katechon zoals geanalyseerd in het werk van Carl Schmitt.

vii Verg. Aleksandr Solsjenitsyn’s Tweehonderd jaar samen voor een recente analyse van de JQ in de Russische contekst.

viii Verg. Timothy Snyder’s Bloodlands: Europe Between Hitler and Stalin voor de gray zone tussen het politiek-correcte standaard-narratief en de revisionistische martyrologia.

ix Jesaja 56:5 - de oorsprong van de naam van het Israëlische nationale sanctuarium ‘Yad va-Sjem’.

x Zie bijv. het werk van Rav David Bar-Hayim van het Shilo Instituut voor een authentiek Traditioneel Joods perspectief op deze materie.